|
De Viool In haar binnenste droeg de viool deze spreuk: "Toen ik nog in de bossen leefde, heb ik gezwegen, nu ik gestorven ben, zing ik." Toen ik nog in de bossen leefde, heb ik gezwegen, daar was het hout immers maar hout en de boom boom. Maar die boom is gekapt, in planken gezaagd en wie zal zeggen welke martelingen nog meer op dat hout zijn uitgevoerd? Telkens andere handen zijn er mee bezig geweest. Tenslotte is het hout terechtgekomen in de werkplaats van de vioolbouwer. En daar is het wonder gebeurd, het hout, dat in de bossen leefde, is die slanke, licht gebogen viool geworden. En de speler heeft haar in zijn hand genomen. Nu ik gestorven ben, zing ik. |