Orkestopstelling:
 Zie met deze animatie hoe het orkest verandert is vanaf de baroktijd tot nu. klik hier
Wat is een (symfonie) orkest?
Een orkest is een groep mensen met instrumenten die samen muziek maken. Er zijn heel veel soorten orkesten - harmonieorkesten, jazzorkesten, fanfares, zigeunerorkesten, poporkesten en, natuurlijk, symfonieorkesten. Het verschil ligt aan het soort muziek die ze spelen, en ook aan de samenstelling, dat wil zeggen welke instrumenten er in zitten. Hier zullen we het hebben over het symfonieorkest.
Een symfonieorkest bestaat uit vier groepen instrumenten: de strijkinstrumenten (violen, altviolen, celli en contrabassen), de houtblazers (fluiten, hobo's, klarinetten en fagotten), de koperblazers (hoorns, trompetten, trombones en tuba's) en slagwerk (pauken, grote trom, xylofoon, bekkens enz.).
Deze samenstelling van instrumenten is ontstaan iets meer dan 300 jaar geleden, en is pas later "symfonieorkest" gaan heten. Toen bestond het orkest uit zo'n 30 musici. In de loop der jaren is het steeds groter geworden - nu zijn het er soms meer dan 100!
Voor het orkest staat één musicus zonder instrument: de dirigent. De dirigent beslist hoe het muziekstuk gespeeld wordt: langzamer of sneller, harder of zachter, heel woest of misschien heel mysterieus. Als hij er niet was zou elk musicus het op een andere manier spelen, en zou het een zootje worden! Om goed samen te blijven, en op dezelfde manier te kunnen spelen, moeten ze dus heel goed naar de dirigent kijken: hij geeft alles wat ze moeten doen aan met zijn gebaren.
Als je aan een symfonieorkest denkt, dan denk je meestal aan "klassieke" muziek. (Als je goed op let zul je merken dat de muziek voor veel films, en zelfs tekenfilms, ook vaak gespeeld is door een symfonieorkest.) Vanaf de barok tijd hebben componisten er heel veel muziek voor geschreven - componisten zoals Bach, Haydn, Mozart en Beethoven. Zelfs componisten die nu leven schrijven muziek voor deze zelfde samenstelling van instrumenten. Het bijzondere van klassieke muziek is dat het ook na 300 jaar nog steeds veel gespeeld wordt! Om al deze muziek in leven te houden zijn er dus heel veel symfonieorkesten, over de hele wereld.
Ga direct naar het RBO pagina: Lees meer over RBO Sinfonia
Als je meer wilt weten
Een orkest is een groep mensen die instrumenten bespelen en samen muziek maken. Er zijn heel veel soorten orkesten. In de 'klassieke" muziek bijvoorbeeld: Het symfonieorkest. Daarover straks meer. Het harmonieorkest met houten blaasinstrumenten en koperblazers. Het fanfareorkest dat hoofdzakelijk uit koperblazers -trompetten, trombones- bestaat. Het strijkorkest, bestaande uit strijkinstrumenten zoals violen, altviolen, celli -meervoud van cello, in de muziek spreken we veel Italiaans- en contrabassen. Kamerorkesten: dit zijn kleine symfonieorkesten met bijvoorbeeld veel minder strijkers.
In de lichte muziek vinden we o.a. de volgende soorten orkesten: Dansorkesten, jazzorkesten, volksmuziekorkesten, bands, combo's enzovoort. Jullie hebben er vast wel eens een paar beluisterd. Maar nu willen we het hebben over het
SYMFONIEORKEST Dit orkest is ontstaan even voor 1700 en dankt zijn naam aan een muziekvorm die vreemd genoeg toen nog niet bestond: de symfonie is pas een halve eeuw later ontstaan. Jullie hebben misschien wel gehoord van een paar grote meesters van de symfonie: Haydn, Mozart, Beethoven en in de negentiende eeuw Brahms, Bruckner en nog later Mahler. Het symfonieorkest heeft een samenstelling die sinds de negentiende eeuw niet echt meer is gewijzigd. Het orkest is alleen in de loop van de tijd steeds groter geworden; begonnen als een ensemble van zo'n dertig musici is het vanaf ongeveer 1900 een grote club van vaak over de honderd musici. Het orkest bestaat uit vier groepen:
De STRIJKINSTRUMENTEN, zoals al gezegd violen, altviolen, celli en contrabassen. De violen zijn verdeeld in eerste violen, die vaak de hogere partijen spelen, tweede violen die niet minder belangrijk zijn maar zich vaak richten op lagere partijen en begeleidingen, en altviolen, een grotere vioolvorm die vijf tonen lager is gestemd en een donkere klankkleur heeft. De violoncelli of kortweg celli klinken nog acht tonen lager en de bas van het orkest wordt, zoals in veel andere orkesten, gevormd door de contrabassen.
De HOUTEN BLAASINSTRUMENTEN bestaan meestal ook weer uit vier groepen; de fluiten klinken het hoogste. Soms vind je er een héél klein fluitje bij: de piccolo, die je met zijn doordringend geluid direct opmerkt. Iets lager klinkt het wat neuzige geluid van de hobo, de klarinet kan even hoog maar nog lager en klinkt wat ronder en de bas wordt hier gevormd door de gezellig knorrende fagotten, die toch ook mooie melodieën kunnen spelen. Een enkele keer kom je van sommige instrumenten grote broers tegen: zo is de altfluit een grote fluit, de althobo of engelse hoorn een prachtig klinkende lage hobo en de basklarinet een lage maar heel virtuoze klarinetsoort. De heel lage contrafagot lijkt in het orkest een soort brandspuit, maar hij klinkt bepaald niet zo!
De KOPEREN BLAASINSTRUMENTEN zijn meestal in drie groepen verdeeld. Iedereen kent de trompet, waarvan het symfonieorkest er in ieder geval twee, vaak ook meer heeft. Vaak vinden we vier hoorns, vooral in de grote symfonieën uit later tijd; soms zijn het er wel acht! Zoals de trompet zich uit een simpel signaal-instrument voor oorlogen en feestelijkheden heeft ontwikkeld tot een ingewikkeld opgerold, virtuoos melodie-instrument, zo is de hoorn vanuit zijn begin als jachtinstrument net als de trompet een volwaardig orkestinstrument geworden. Beide instrumenten hebben " opgerolde" buizen en knoppen, waarmee de toonhoogte kan worden geregeld. Dit ontbreekt bij de trombone, die lager klinkt en zich van een schuifsysteem bediend. Vaak kom je als bas nog de tuba tegen, een soort blinkend groot vat dat direct de aandacht trekt.
Over de vierde groep: het SLAGWERK, zou je boeken vol kunnen schrijven -dat is trouwens ook gedaan. Ik beperk mij even tot de meest bekende slaginstrumenten. In ieder geval heeft een symfonieorkest een paar pauken, die door middel van pedalen zelfs verschillende toonhoogtes kunnen laten horen. Het zijn van die grote soepketels met een vel erover. Ook de grote trom staat op een stellage, terwijl de kleine trom net als bijvoorbeeld de tamboerijn en de triangel (een klein stalen driehoekje dat als een klokje klinkt) meestal in de hand wordt gehouden. Hele grote slaginstrumenten hangen vaak, zoals de gong, een heel groot deksel dat letterlijk klinkt als een klok, maar dan een lage bronzen klok, en sommige bekkens, die een geruis geven. Ook de buisklokken, die kerkklokken nadoen, hangen, in dit geval in een soort rek.
Verder worden ook tot het slagwerk gerekend de instrumenten waarmee je piano-achtige passages zoals toonladders kunt spelen. De celesta, een piano-achtig klokkenspel, is zo'n ding. De meesten van jullie kennen ook de xylofoon, een serie houten balkjes van oplopende lengte naast elkaar, als een soort kinderspeelgoedje. Sommige orkestinstrumenten zijn heel zielig; ze horen nergens bij. Toch is de harp bijvoorbeeld een heel mooi klinkend, bijna onmisbaar orkestinstrument dat er bovendien met zijn lange veelkleurige snaren en mooi bewerkte klankkast prachtig uitziet. De harp wordt met de handen bespeeld, het lijkt wat op 'breien'. Soms vinden we in het orkest ook een orgel en in oudere muziek vaak een clavecimbel -rond 1700 de voorloper van de modernere toetsinstrumenten, zoals de piano.
DE MUSICI De mensen die in een orkest de instrumenten bespelen noemen we musici. In de "beroepsorkesten" -orkesten waarin musici spelen die speciaal daarvoor hebben gestudeerd- komen de muzikanten pas, nadat ze eerst een proefspel hebben gedaan. Dat is een soort examen, waarbij een serie mensen achter een tafeltje luisteren of je goed genoeg bent. Zoals bij ieder examen: doodeng, zeker omdat er voor iedere vrije plaats in het orkest een heleboel mensen in de rij staan: de concurrentie is enorm. Toch zijn er nog veel meer orkesten die hoofdzakelijk uit 'liefhebbers' bestaan: de amateurorkesten. Meestal studeren deze "vrije-tijds-orkesten" voor één of twee uitvoeringen per jaar in de plaatselijke schouwburg of kerk: behalve muziekmaken is het gezellig samen met iets bezig zijn, met een geleerd woord het "sociale aspect" hier belangrijk. En bij de uitvoeringen zit de zaal of kerk vol familie en vrienden. Zowel bij de amateur- als bij de beroepsorkesten is één musicus van groot belang: de CONCERTMEESTER. Elke orkestgroep heeft een "aanvoerder", die zorgt dat alles binnen de groep goed loopt, dat er zuiver en gelijk gespeeld wordt enzovoort. Maar de CONCERTMEESTER is behalve de leider van de strijkinstrumentengroep - 'STRIJKERS' zeggen we meestal hoewel die naam tegenwoordig verwarring zaait- ook degene die wat zijn verantwoordelijkheid betreft direct na de dirigent -waarover straks- komt. Hij of zij zorgt ervoor dat de partijen voorzien zijn van de goede streken, zodat iedereen gelijk strijkt en de ene violist niet met zijn strijkstok in de neus van zijn buurman zit, hij 'vertaalt" de wensen van de dirigent -soms letterlijk als het een buitenlander is- naar het orkest toe, zorgt voor de zuiverheid samen met de hobo, die van te voren de A geeft waarop het hele orkest moet stemmen, en speelt vaak een soort bemiddelende rol tussen dirigent en orkest. Ook speelt hij als dat nodig is de solo-partij, dus alleen.
Maar ook horen er bij het orkest figuren die geen instrument bespelen. Zo zet de orkestinspecteur de lessenaars klaar en zorgt dat iedereen zijn muziek heeft. Die muziek komt dan meestal van de orkestbibliothecaris, die in een wat groter orkest een echte bibliotheek heeft met orkestpartijen, bijvoorbeeld voor violen, fluiten of trompetten, en soms zelfs partituren, dat zijn boeken waar één orkestwerk in staat, maar dan wel met alle instrumenten die daarvoor nodig zijn onder elkaar geschreven. De belangrijkste meneer of mevrouw die geen instrument bespeelt maar wel zo'n boek heeft is de DIRIGENT. Oorspronkelijk had de dirigent niet het stokje dat we nu allemaal kennen. Vaak stond of zat hij achter het clavecimbel -rond 1700- en dirigeerde vanaf die plaats. Toen de orkesten groter werden en het clavecimbel minder belangrijk werd die methode onhandig gevonden en kwam de dirigent -met stokje- voor het orkest te staan. En daar staat hij nog.
Deze dirigent is de "baas", de leider van het orkest. Als hij in het begin op zijn lessenaar tikt is iedereen stil en luistert naar zijn aanwijzingen. Een nieuwe dirigent is iemand, aan wie een orkest moet wennen, net als wanneer je een nieuwe meester of leraar krijgt. Ook iedere dirigent heeft andere manieren, andere opvattingen, andere gebaren, hoewel de standaardgebaren door elke orkestmusicus begrepen worden. Dat is een soort geheimtaal van horizontale en verticale gebaren waarmee de maat en de snelheid (rechterhand) maar ook vaak de sterktegraad en uitdrukking (links) van de muziek wordt aangegeven. Het spannende bij dirigenten is, dat ze nu eenmaal verschillende mensen zijn en dus ook verschillende opvattingen over muziek hebben. Bij de één klinkt een symfonie veel langzamer dan bij de ander, dirigent X kan een orkest in een bepaald werk ongeveer laten exploderen terwijl dirigent Y het met vaak hetzelfde effect wat kalmer aan doet.
Tijdens de orkestrepetities, die meestal tweemaal anderhalf uur -met koffiepauze- duren, maakt de dirigent zijn opvattingen duidelijk, tikt af met zijn stok als iets ongelijk of onzuiver is en wanneer hij iets wil zeggen of overdoen. Het heeft iets van een schoolklas onder een ouderwetse meester, maar dan wel op artistiek niveau!
ORKESTEN EN ZALEN Een orkest speelt meestal in een zaal, hoewel er -vooral in landen waar het vaak mooi weer is- ook wel open lucht-concerten worden gegeven. Maar dat is meer iets voor harmonie-, fanfare- en dansorkesten. Het is met zalen net als met dirigenten; iedere ruimte klinkt weer anders. Vaak heeft een orkest daarom in een voor hen niet zo bekende zaal eerst een ZITREPETITIE . Dat is een repetitie om de ruimte van het podium, dat niet in iedere zaal en al helemaal niet in een kerk aanwezig is, te verkennen. Ook is er soms een AKOESTISCHE REPETITIE nodig om het geluid van een zaal te onderzoeken in verband met de nagalm, of een zaal "droog" klinkt, of sommige orkestgroepen harder klinken dan andere. Bij radio- en televisie-opnamen zijn dat ook de momenten dat met microfoon- en camera-opstellingen wordt geëxperimenteerd. We hebben in Nederland een paar bekende en goede zalen. De meest bekende zaal, die ook in het buitenland beroemd is, is de Grote Zaal van het Amsterdamse CONCERTGEBOUW. Het orkest dat in deze zaal vaak speelt is ons top-orkest, het CONCERTGEBOUWORKEST, dat tegenwoordig zelfs het Koninklijk Concertgebouw Orkest heet.
In Den Haag hebben we de Philipszaal, die bespeeld wordt door het RESIDENTIE ORKEST. Zo zijn er nog meer steden met een grote zaal en een daaraan gekoppeld orkest. Rotterdam heeft het bekende ROTTERDAMS PHILHARMONISCH ORKEST dat optreedt in de Grote Zaal van de Doelen, het Brabants Orkest treedt vaak op in Eindhoven in de mooie nieuwe zaal van het Frits Philips Centrum en het Gelders Orkest uit Arnhem speelt dikwijls in de zaal van het Arnhemse Musae Sacrum. De Radio Orkesten zoals het RADIO FILHARMONISCH ORKEST en het RADIO KAMER ORKEST hebben geen eigen zaal maar spelen vaak in radio-studio's voor het maken van opnamen of verzorgen concerten in één van Nederlands grote zalen.
BEGELEIDINGSORKESTEN Tot de orkesten, die geen eigen zaal hebben horen ook de orkesten, die zich speciaal op begeleiden hebben gericht. Een koor bijvoorbeeld heeft heel vaak een begeleidend orkest nodig. Zo'n orkest heeft het niet gemakkelijk: het moet iedere keer in een andere ruimte spelen, want elk koor heeft zijn eigen zaal of kerk, groot of klein, koud of warm, galmend of droog. Bovendien moet zo'n orkest steeds met een andere dirigent werken: het heeft geen eigen dirigent, maar de dirigent van het koor is tijdens de repetities met het orkest en de GENERALE REPETITIE, die meestal 's avonds in de ruimte van de uitvoering wordt gegeven, tijdelijk de baas. Dat hoop je tenminste. RBO SInfonia (RBO) is zo'n koorbegeleidingsorkest.
Lees meer over RBO Sinfonia |